Wie stelt moet bewijzen, ook na afloop van de bewaarplicht
In het belastingrecht geldt doorgaans dat de inspecteur de bewijslast draagt voor het vaststellen van belastbare feiten, terwijl de belastingplichtige de bewijslast draagt voor aftrekposten, vrijstellingen of andere belastingvoordelen zoals verliesverrekening.
Dit principe is niet absoluut. Er zijn situaties waarin de bewijslast kan verschuiven, bijvoorbeeld bij een informatiebeschikking of bij omkering van de bewijslast. Het verstrijken van de bewaartermijn is op zichzelf niet voldoende om de bewijslast te verschuiven. Dit bleek onlangs in een geschil bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wat speelde er?
Een bv claimt het recht op verliesverrekening voor de jaren 2016 en 2018. Zij verwijst hierbij naar een verminderingsbeschikking uit 2014. Hierin staat een resterend verlies van ruim drie ton.
De bv stelt dat dit nog beschikbaar moet zijn voor verrekening. Een cruciaal argument van de bv is dat de bewijslast niet bij haar zou moeten liggen, omdat zij niet meer over alle verliesvaststellingsbeschikkingen beschikt. Deze dateren van vóór de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar en volgens de bv kan het haar daarom niet worden aangerekend dat zij niet kan aantonen dat er nog verrekenbare verliezen zijn.
De inspecteur heeft uitgebreide documentatie aangeleverd, waaronder overzichten, systeemprinten en kopieën van eerdere aanslagen en beschikkingen. Hiermee toont hij aan dat na de beschikking in 2014 nog diverse verliesverrekeningen hebben plaatsgevonden, waardoor voor 2016 en 2018 geen verliezen meer resteerden.
Oordeel van het hof
Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en doet een fundamentele uitspraak over bewijslastverdeling in fiscale zaken. Het hof oordeelt dat de bewijslast bij de bv blijft, zelfs al is de wettelijke bewaartermijn verstreken. De bv had "geen begin van bewijs geleverd" dat de door de inspecteur vastgestelde aanslagen of beschikkingen onjuist zijn.
Dit is een essentieel punt: het verstrijken van de bewaartermijn verschuift de bewijslast niet naar de Belastingdienst. De bv blijft verantwoordelijk voor het aannemelijk maken van haar claim, ondanks het feit dat de bewaartermijn voor de administratie was verstreken.
Het hof wijst ook het beroep op de vijfjaarstermijn af. Deze termijn bepaalt dat de Belastingdienst slechts binnen vijf jaar een navorderingsaanslag kan opleggen. Het hof maakt echter duidelijk dat in deze zaak geen sprake is van navordering. De inspecteur heeft niet geprobeerd eerdere aanslagen te verhogen of eerder vastgestelde verliezen naar beneden bij te stellen. Hij heeft alleen aangetoond dat de in 2014 nog beschikbare verliezen in de jaren daarna zijn verrekend.
Conclusie
Bewaar alle relevante beschikkingen. Het aflopen van de bewaarplicht ontslaat een belastingplichtige immers niet van de verantwoordelijkheid om claims op fiscale voordelen aannemelijk te maken. Het advies aan ondernemers is daarom om een doorlopend overzicht bij te houden van alle verliesvaststellingen en -verrekeningen, ook buiten de wettelijke bewaartermijn.
Een praktisch advies: vraag elk jaar een verliesbeschikking op bij de Belastingdienst. Als u geen verliesbeschikking ontvangt, kunt u de inspecteur verzoeken om vaststelling van het verlies. Zonder verliesbeschikking mag u het verlies niet verrekenen, en de beschikking geeft rechtszekerheid over de hoogte van de verrekenbare verliezen.
Ook interessant voor jou
Een ondernemer kan de omzetbelasting, die door andere ondernemers aan hem voor door hen verrichte leveringen en diensten in rekening is gebracht, in aftrek brengen. Voorwaarde is dat de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt in het kader van zijn onderneming. Volgens de Hoge Raad geldt in beginsel de persoon aan wie door een ondernemer een factuur is uitgereikt waarin hij wordt genoemd als degene aan wie de levering of dienst is verricht als afnemer van de prestatie. Behoudens tegenbewijs is deze persoon degene die recht heeft op aftrek van voorbelasting indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
Een bv kocht een auto voor een bedrag van € 85.000. In dit bedrag was € 13.245 aan omzetbelasting begrepen. De bv heeft dit bedrag aan omzetbelasting als voorbelasting in mindering gebracht op de aangifte omzetbelasting. Een maand later verkocht de bv de auto aan haar dga voor € 15.000, inclusief € 1.122 aan omzetbelasting. De auto is door de oorspronkelijke verkoper direct geleverd aan de dga. Na een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst de aftrek van voorbelasting bij de bv gecorrigeerd door het opleggen van een naheffingsaanslag. De correctie bedroeg per saldo € 12.123.
In de procedure over de naheffingsaanslag was onder meer in geschil of de bv ter zake van de levering van de auto recht heeft op aftrek van voorbelasting. Een ander punt van geschil was of het verschil tussen aan- en verkoopprijs van de auto, dat als verkapte dividenduitkering is aangemerkt, onderdeel is van de vergoeding voor de overdracht van de auto aan de dga. De rechtbank diende daarnaast de vraag te beantwoorden of sprake is van misbruik van recht, waardoor geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting en of de vergrijpboete terecht is opgelegd.
De rechtbank stelde vast dat de factuur op naam van de bv is gesteld en dat zij daarin wordt verplicht die factuur te betalen. Niet in geschil is dat de bv de factuur heeft voldaan. De Belastingdienst betwistte dat de bv de afnemer van de auto is. Het is daarom aan de Belastingdienst om te bewijzen dat de levering van de auto niet aan de bv is verricht. De Belastingdienst wees erop dat het kenteken van de auto niet op naam van de bv is gesteld en dat de auto niet is gebruikt binnen de onderneming van de bv. De auto is bij de oorspronkelijke verkoper blijven staan tot na het moment waarop deze was doorverkocht door de bv aan de dga. De bv heeft geen nader bewijs aangedragen waaruit blijkt dat zij de afnemer is van de auto. De naheffingsaanslag is daarom terecht en niet te hoog opgelegd.
Hoewel het kabinet demissionair is en het Belastingplan dus beleidsarm, is het totale pakket aan wetsvoorstellen omvangrijker dan ooit tevoren. Het pakket Belastingplan 2024 bestaat uit niet minder dan 15 wetsvoorstellen, met een breed palet aan maatregelen op verschillende terreinen. Het eigenlijke wetsvoorstel Belastingplan 2024 omvat zoals gebruikelijk maatregelen met een budgettair effect.
Gelet op de demissionaire status van het kabinet en met de verkiezingen in aantocht is de vraag wat er van al deze plannen terecht komt. De verwachting is dat alle partijen zich zullen willen profileren en hun stempel drukken op de uiteindelijke maatregelen.