Zelfstandigenwet biedt meer duidelijkheid voor zzp’ers
De Zelfstandigenwet, die naar verwachting in januari 2028 in werking treedt, heeft als doel om meer duidelijkheid te scheppen over de samenwerking tussen zelfstandigen en opdrachtgevers. De wet wil schijnzelfstandigheid tegengaan en zelfstandigen de erkenning geven die zij verdienen. Dit gebeurt door middel van twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Wie aan beide toetsen voldoet én in de praktijk zo werkt, weet vooraf dat hij of zij als zelfstandige kan werken. In de woorden van de wet heet dit ‘een veilige haven’. Wie niet aan beide toetsen voldoet, moet op basis van de huidige criteria bepalen of hij of zij als zelfstandige werkzaam is.
Zelfstandigentoets
De zelfstandigentoets richt zich op de ondernemer zelf en diens ondernemerschap in het economisch verkeer. Er zijn drie criteria:
- De werkende moet in de periode tot en met het vorige kalenderjaar minimaal drie opdrachtgevers hebben gehad.
- Er moet een minimumbedrag zijn besteed aan voorzieningen voor ondernemersrisico's, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering of pensioenvoorziening.
- De werkende moet de basisvoorwaarden op orde hebben, zoals een KVK-inschrijving, een zakelijke bankrekening, een btw-identificatienummer en zelf factureren.
Werkrelatietoets
De werkrelatietoets beoordeelt de specifieke arbeidsrelatie en kijkt of er voldoende zelfstandig wordt gewerkt, zonder 'gezag'. De vier criteria zijn:
- De wil van de partijen om niet in dienstverband te werken.
- De vrijheid om het werk zelf te organiseren.
- De vrijheid om de werktijden en werkplek te bepalen. Op dit criterium zijn uitzonderingen voor plaatsgebonden werk en voor tijdsgebonden werk.
- Het werken voor eigen rekening en risico.
Hierbij is de feitelijke uitvoering van de overeenkomst leidend, niet wat op papier is afgesproken. Aan alle criteria moet worden voldaan. Er is geen rangorde.
Internetconsultatie
De Zelfstandigenwet is nu in internetconsultatie. Reageren op het conceptwetsvoorstel kan tot en met 29 oktober 2026 op www.internetconsultatie.nl.
Ook interessant voor jou
Een ondernemer kan de omzetbelasting, die door andere ondernemers aan hem voor door hen verrichte leveringen en diensten in rekening is gebracht, in aftrek brengen. Voorwaarde is dat de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt in het kader van zijn onderneming. Volgens de Hoge Raad geldt in beginsel de persoon aan wie door een ondernemer een factuur is uitgereikt waarin hij wordt genoemd als degene aan wie de levering of dienst is verricht als afnemer van de prestatie. Behoudens tegenbewijs is deze persoon degene die recht heeft op aftrek van voorbelasting indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
Een bv kocht een auto voor een bedrag van € 85.000. In dit bedrag was € 13.245 aan omzetbelasting begrepen. De bv heeft dit bedrag aan omzetbelasting als voorbelasting in mindering gebracht op de aangifte omzetbelasting. Een maand later verkocht de bv de auto aan haar dga voor € 15.000, inclusief € 1.122 aan omzetbelasting. De auto is door de oorspronkelijke verkoper direct geleverd aan de dga. Na een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst de aftrek van voorbelasting bij de bv gecorrigeerd door het opleggen van een naheffingsaanslag. De correctie bedroeg per saldo € 12.123.
In de procedure over de naheffingsaanslag was onder meer in geschil of de bv ter zake van de levering van de auto recht heeft op aftrek van voorbelasting. Een ander punt van geschil was of het verschil tussen aan- en verkoopprijs van de auto, dat als verkapte dividenduitkering is aangemerkt, onderdeel is van de vergoeding voor de overdracht van de auto aan de dga. De rechtbank diende daarnaast de vraag te beantwoorden of sprake is van misbruik van recht, waardoor geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting en of de vergrijpboete terecht is opgelegd.
De rechtbank stelde vast dat de factuur op naam van de bv is gesteld en dat zij daarin wordt verplicht die factuur te betalen. Niet in geschil is dat de bv de factuur heeft voldaan. De Belastingdienst betwistte dat de bv de afnemer van de auto is. Het is daarom aan de Belastingdienst om te bewijzen dat de levering van de auto niet aan de bv is verricht. De Belastingdienst wees erop dat het kenteken van de auto niet op naam van de bv is gesteld en dat de auto niet is gebruikt binnen de onderneming van de bv. De auto is bij de oorspronkelijke verkoper blijven staan tot na het moment waarop deze was doorverkocht door de bv aan de dga. De bv heeft geen nader bewijs aangedragen waaruit blijkt dat zij de afnemer is van de auto. De naheffingsaanslag is daarom terecht en niet te hoog opgelegd.
Hoewel het kabinet demissionair is en het Belastingplan dus beleidsarm, is het totale pakket aan wetsvoorstellen omvangrijker dan ooit tevoren. Het pakket Belastingplan 2024 bestaat uit niet minder dan 15 wetsvoorstellen, met een breed palet aan maatregelen op verschillende terreinen. Het eigenlijke wetsvoorstel Belastingplan 2024 omvat zoals gebruikelijk maatregelen met een budgettair effect.
Gelet op de demissionaire status van het kabinet en met de verkiezingen in aantocht is de vraag wat er van al deze plannen terecht komt. De verwachting is dat alle partijen zich zullen willen profileren en hun stempel drukken op de uiteindelijke maatregelen.